Daar heb je geen kind aan.
“Wat brengt je hier vandaag?” vraag ik, nadat we een tijdje stil waren geweest.
“Oude rouw, nieuwe dooi,” zegt ze en blijft voor zich uit staren. “Ik heb er al best wel wat werk op gedaan, maar er is weer iets wat zich toont de laatste tijd in de dynamiek met mijn moeder en broer. Eigenlijk is het er altijd wel geweest, maar had ik wat trucjes om het te hanteren. Maar dat is niet meer genoeg merk ik.”
“Wat voor trucjes?” vraag ik.
“Tegen mezelf zeggen dat ik alleen maar de dochter ben, of de vierde in de rij, dat ik geen moeder ben van mijn moeder of broer, maar een eigen plek heb. Dat soort dingen. Maar het is niet voldoende. Ze blijven maar van me vragen dat ik er voor hen moet zijn en het is nooit andersom geweest. Mijn broer had altijd iets, was vaak ziek en dat is zo gebleven. Het draaide vooral om hem en ik was het kind wat alles goed kon. Nog steeds. Ik heb geen recht van spreken. Ik heb een goede baan, ik heb een fijne relatie, we hoeven ons geen zorgen te maken om geld, ik ben gezond.”
Ik liet de stilte even de woorden opnemen.
“Waar hoop je op?” Ik kijk naar haar houding. Ze zit met haar benen opgekruld in de stoel.
Ze kijkt nog steeds voor zich uit. “Mijn dochter zei laatst tegen mij: “Is het je wel eens opgevallen mam, dat oma nooit aan je vraagt hoe het met jou gaat?” antwoord ze.
De tranen beginnen te stromen. Oude rouw, nieuwe dooi.
Het besef dat het nooit anders zal worden zakt langzaam in. Dat ze haar hoop heeft op te geven. De hoop op gezien worden in alles wat ze is, heeft bereikt en bovenal, in alles wat ze voor hen heeft gedaan én doet. De hoop dat haar moeder naar haar omkijkt, er net zo voor haar kan zijn als voor haar broer.
“Er werd ook vaak over me gezegd: “Daar heb je geen kind aan.” Zelfs door leraren. Niemand die me werkelijk zag. Wat ik deed was goed mijn best doen, niet zichtbaar zijn, helpen, niet zeuren, sterk zijn, mijn moeder gelukkig maken, voor mijn broer zorgen, mee dragen. Daar ben ik erg goed in geworden. Het is mijn werk geworden.”
Ze is begin vijftig schat ik zo en het ontroert me om haar zo heen en weer te zien bewegen tussen het kleine meisje en de grote sterke vrouw.
Daar waar ze een natuurlijke neiging heeft om veel te praten is ze in deze sessie opvallend stil. Corrigeert zichzelf ook vaak als ze dan toch spreekt. Alsof ze wederom geen recht van spreken heeft. Ik attendeer haar erop, zonder oordeel. “Oh ja, doe ik dat? Tja, misschien wel omdat ik me ook schuldig voel naar mijn moeder als ik zo over haar praat. Ik wil haar niet afvallen of zeggen dat ik een verschrikkelijke jeugd heb gehad.”
“Maar soms zat ik dan als kind op m’n kamer en hoopte ik dat ik ook een ziekte had. Zodat ze er ook voor mij zouden zijn. Daar voelde ik me dan wel gelijk weer schuldig over.”
Intussen heeft ze drie zachte, ronde matjes op de vloer gelegd. Eén voor zichzelf, één voor haar broer en één voor haar moeder. De laatste twee dichtbij elkaar, die van haar op afstand. Een eenzame plek. Ze bezoekt ze alledrie om eens te voelen hoe het op die plek is en eindigt bij zichzelf, kijkend naar het matje wat voor haar moeder staat.
En dan begint ze in een prachtig, Brabants dorpsdialect tegen haar moeder te praten. Zachtjes, maar hoorbaar. Hoe ze de hoop opgeeft dat ze ooit nog wordt gezien of zal worden aangeraakt zoals ze het eigenlijk verlangt. Hoe ze stopt met hopen dat ze haar moeder voor zichzelf mag hebben, los van haar broer.
Haar tranen weerspiegelen haar gemis. De woorden maken haar vrij.
Na een paar minuten komt er een diepe zucht.
We verblijven nog even in stilte, afgewisseld met wat kleine, afsluitende opmerkingen. Allebei wetende dat dit onvermijdelijk was. De pijnlijke realiteit erkennen, het opgeven van de illusie van het kind, maakt de weg vrij als volwassene.