De krab zonder scharen. 

Gesloopt. Er was niet veel meer over van contact hebben met mezelf.

Eenmaal in de auto zette ik een liedje aan, keihard, om hard mee te zingen, zelfs te schreeuwen. Om dat uit mijn borst te laten wat ik had vastgehouden. Misschien was het mijn eigen stem, misschien die van de deelnemers.

Ik word vaak gevraagd door organisaties om de onderstroom op tafel te brengen. Ik word geprezen om m’n scherpte, ik word verafschuwd om m’n scherpte. En dat brengt soms verdeeldheid in een groep, vooral als er nog niet veel aanraking is geweest met een onderstroom. Die er overigens altijd is, maar vaak wordt vermeden of waar men niet aan toekomt.

Als het via mij dan toch naar boven komt, betaal ik ergens een prijs. Projectie van pijn ligt op de loer, ik ben bedreigend, een ander haalt opgelucht adem dat ‘we het eindelijk hebben over de zaken die er toe doen en altijd aanwezig zijn geweest’. 

Na het harde meezingen liep ik over het strand. Even mijn voeten in het zand, in het water, om weer terug te komen in mijn eigen lijf, wat dienst mocht doen voor mezelf. Ik zat mezelf te verwijten dat ik alles fout deed, misschien maar moet stoppen met dit werk, mijn scherpte moet inhouden, mijn vermogen om dingen te zien en te benoemen maar in de koelkast moet stoppen.

En daar was de krab. 

Op het hele strand was geen krab te bekennen. Wel dode blauwe kwallen, die zielig met hun tentakels in de lucht lagen. Maar geen krabben.

Na de mijmering om maar te stoppen met mijn scherpte, stond dit klein krabje voor mijn voeten. Ik was er haast overheen gelopen.

Ik ging op mijn hurken zitten en keek naar het krabje. Het kwam omhoog uit het zand, toonde zijn scharen en bleef stil zitten. 

Nu was het aan mij om stil te worden. Om de boodschap te horen. Als ik mijn scherpe scharen afknip, of niet meer gebruik, dan ben ik een krab zonder scharen. En een krab zonder scharen gaat dood, of is geen krab meer. Dat waartoe ie is gemaakt vernietigen, is verminking en verloochening. 

Als je geboren wordt met scharen, heb je ze te gebruiken. Zo zei de krab.

Een vriendin van mij is geboren met het vermogen om geesten te zien. In huis, in de slaapkamer, bij mensen. Ze heeft het in haar jeugd weg gedrukt omdat ze bang was, er oordeel op was en geen begeleiding in heeft gehad. Ze ziet alles. Dat zijn haar scharen. Ze heeft ze opgeborgen. Inmiddels staat ze beetje bij beetje weer toe om ze terug te halen. Haar potentieel. 

We zijn zo snel geneigd onszelf klein te maken, onze grootsheid niet in te zetten. Ik kan zo genieten van kleine kinderen die volmondig kunnen zeggen dat ze ergens goed in zijn, zonder schaamte of politieke correctheid. Wij volwassenen zijn eerder geneigd ons in te houden, of in mijn geval de stem van het familiesysteem te honoreren: “Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg. Vooral niet opvallen, niet bijzonder willen zijn, schoenmaker blijf bij je leest en geld verdienen doe je vooral met de gewone zaken des levens.” Niet met creativiteit, of je gevoel volgen, maar vooral met hard werken en goed letten op wat anderen van je vinden.

Ik kom uit generaties van boerderijen, armoede en een pension waar gasten voorrang kregen op eigen geluk.

En jij?

Aan hoeveel mensen heb jij ontrouw te worden om te doen wat je moet doen? Om je potentieel ruimte te geven? Om je scharen of andere kwaliteiten in te zetten?

Ik bedankte het krabje voor zijn wijze lessen. Zijn lichaam bewoog op en neer, liep een stukje zijwaarts, groef zich nog wat verder in en wachtte op de juiste golf om op mee te liften.

Even een passant in mijn leven. Het was een fijn gesprek. 

Als je wil dat ik even een passant ben in jouw leven, weet me dan te vinden.

Ik heb wel scharen. Voor jou en voor mij.