Het touwtje naar toen.
De broodtrommels waren gevuld, de drinkflessen stonden klaar. Over 10 minuten zouden onze dochters op de fiets zitten naar school.
Ik stond bij het aanrecht om er een doekje over te halen en hoorde wat gesmiespel achter me. Mijn man en mijn jongste dochter stonden te fluisteren, over mij. Ik hoorde hen, maar kon het niet verstaan.
Een naar gevoel bekroop me, maar ik kon het niet duiden, dus ik ging gewoon verder.
Het smiespelen ging door en ze kwamen naast me staan, op een meter afstand. Niets zeggen, me allebei strak aankijkend en vervolgens lachen. Ik werd er ongemakkelijk van en gebaarde met m’n hoofd zoiets van: “Wat is er?” Zij begonnen nog meer te grinniken en zeiden dat er niets was, waarop ze weer fluisterend achter mijn rug verdwenen.
Ik voelde me er niet fijn bij, maar sprak mezelf toe: “Ach, laat maar gaan, ze hebben vast een flauw grapje. Het houdt zo wel op.” Ik snapte ook niet zo goed waarom het me zo’n unheimisch gevoel gaf. Het is immers familie en zij hadden een lach op hun gezicht.
En toch… Het rare gevoel werd een beetje somber.
“Wat is er toch?” vroeg ik geïrriteerd aan ze.
“Hahaha, nee hoor niks,” zei mijn jongste dochter. ‘We waren nieuwsgierig. Het touwtje van je pyjamabroek hing in de prullenbak en we dachten dat je achteruit zou vallen als je naar achteren zou stappen, maar dat gebeurde niet! Haha, het was erg grappig!”
Zij waren bij het touwtje van mijn pyjamabroek.
Ik niet. Ik was heel ergens anders.
Zonder dat ik er me bewust van was, belandde ik in de schoolgang waar er achter me, over mij gesmiespeld werd. Waar over me gepraat werd, waar ik voor schut werd gezet. Waar leeftijdsgenoten me en public vernederden voor de hele klas, waar ik werd aangestaard. Als ik vroeg: ‘Wat is er?’ zeiden ze: “Niks hoor!” om me vervolgens gezamenlijk uit te lachen.
Daar was ik. Niet bij het touwtje van mijn broek.
Zo snel gaat het. Bessel van der Kolk schrijft erover in zijn boek “Traumasporen.” Het lichaam onthoudt wat het heeft meegemaakt en zorgt voor een imprint, voor sporen in het zenuwstelsel.
Zoiets onschuldigs als dit voorval bracht een herinnering in mijn lijf teweeg. Mijn man en dochter hadden hier geen benul van. Ik ook niet, het gebeurde vóórdat ik er bewustzijn op had. Het was er al eerder, voordat ik met mijn hoofd kon begrijpen wat er nou precies gebeurde.
Hoe vaak heftige gebeurtenissen invloed hebben op het hier en nu, is moeilijk van tevoren te overzien. Mijn pestverleden heeft diepe sporen achtergelaten. Sommige triggers bekend, sommige onbekend. Vele momenten kan ik overzien en reguleren, sommige overkomen me en dan neemt mijn lijf het over. Wat resulteert in een kleine reactivering, of soms een grote reactivering.
In de afgelopen 20 jaar heb ik geleerd dat áls het gebeurt, ik het vaker en sneller kan herkennen. Dat ik meer in het hier en nu kan blijven, erdoor heen kan ademen in plaats van vertrekken naar de pijn en afwijzing.
In dit geval kwam de herkenning wat later. Ik was net wakker, verkeerde in een veilige setting, met dierbaren. Niet persé een plek en tijd waarop ik bewust was van een milde ‘schoolplein activatie.’
Vanuit de herkenning ontstaat bewustzijn en een (hernieuwde) keuzemogelijkheid. Zodat je je vrijer kan bewegen, in de bestaande sporen. Dat lukt vaak niet gelijk een eerste keer. Het vraagt oefenen met nieuw gedrag in een veilige context, het toelaten van de weggestopte pijn, zelfonderzoek en mildheid ontwikkelen. De knopen in je zenuwstelsel opsporen met ademwerk of meditatie en vooral compassie hebben voor je eigen proces.
Toen iedereen de deur uit was, heb ik me, in mijn pyjama, op de bank genesteld. Even niks. Een kat op schoot (die het touwtje erg kon waarderen), een kop thee erbij, om zo de dag weer vrij tegemoet te treden.